Hoe maak je een conceptueel model voor je scriptie? Stappen en voorbeelden per opleiding (2026)

Een conceptueel model is een schematische weergave van de begrippen in je onderzoek en de verbanden die je ertussen verwacht: vakjes voor de variabelen, pijlen voor de veronderstelde relaties. Je maakt het in drie stappen: eerst haal je de kernbegrippen uit je onderzoeksvraag, dan bepaal je welke rol elk begrip heeft (oorzaak, uitkomst, tussenschakel of voorwaarde), en tot slot teken je de pijlen en label je ze met je hypothesen.

Wat is een conceptueel model en waar staat het in je scriptie?

Een conceptueel model vat in één figuur samen wat je onderzoekt. Het staat meestal aan het einde van je theoretisch kader, als synthese van de literatuur, en wordt opnieuw gebruikt in je methodehoofdstuk (waar je elk begrip operationaliseert) en in je resultatenhoofdstuk (waar je per pijl rapporteert wat je vond). Veel opleidingen gebruiken ook de namen onderzoeksmodel, theoretisch model of conceptueel kader. De naam verschilt per opleiding en soms per begeleider, dus vraag in je scriptiehandleiding of bij je begeleider welke term jouw opleiding hanteert en wat er precies in hoort.

Een conceptueel model is iets anders dan een theoretisch kader. Het theoretisch kader is de tekst waarin je theorieën en eerder onderzoek bespreekt. Het conceptueel model is de visuele vertaling daarvan naar jouw eigen onderzoek: welke begrippen, welke richting, welke verbanden. Voor het schrijven van het kader zelf is er het stappenplan voor het theoretisch kader met voorbeelden per opleiding. Het conceptueel model komt daarna: je tekent wat je net hebt beargumenteerd.

Welke onderdelen heeft een conceptueel model?

De meeste conceptuele modellen bestaan uit een kleine set bouwstenen. Hieronder de rollen die variabelen in je model kunnen hebben, met een illustratief voorbeeld uit de personeelswetenschappen:

Rol Wat het doet Voorbeeld (illustratief)
Onafhankelijke variabele De veronderstelde oorzaak of voorspeller Ervaren werkdruk
Afhankelijke variabele De uitkomst die je wilt verklaren Uitputting
Mediator Verklaart hoe of waarom het verband bestaat: de oorzaak werkt via de mediator op de uitkomst Slaapkwaliteit tussen werkdruk en uitputting
Moderator Bepaalt wanneer of voor wie het verband sterker of zwakker is Steun van de leidinggevende
Controlevariabele Wordt meegenomen om te voorkomen dat een andere factor je resultaat vertekent Leeftijd of contractomvang

Een model hoeft niet alle rollen te bevatten. Voor een bachelorscriptie volstaat vaak een onafhankelijke en een afhankelijke variabele met eventueel één mediator of moderator. Elke extra pijl is een extra hypothese die je moet onderbouwen, meten en toetsen. Een model met zes pijlen en een steekproef van tachtig respondenten is zelden haalbaar.

Hoe maak je een conceptueel model stap voor stap?

  1. Haal de begrippen uit je hoofdvraag. Onderstreep de zelfstandige naamwoorden die je wilt meten of beschrijven. In “Wat is het effect van feedbackfrequentie op de studiemotivatie van mbo-studenten?” zijn dat feedbackfrequentie en studiemotivatie.
  2. Bepaal de rol van elk begrip. Wat is de veronderstelde oorzaak, wat de uitkomst, is er een tussenschakel of een voorwaarde? Dit is de stap die je tweede lezer het meest waardeert, want hier laat je zien dat je de literatuur hebt begrepen en niet alleen hebt samengevat.
  3. Onderbouw elke pijl met een bron. Een pijl zonder literatuur is een gok. Noteer bij elke relatie welke studie of theorie de verwachte richting ondersteunt. Zo kun je in je tekst per pijl een hypothese formuleren; de uitleg over hypothesen formuleren met voorbeelden per opleiding laat zien hoe.
  4. Teken het model eenvoudig. Vakjes voor variabelen, pijlen voor relaties, een plusteken of mintekens voor de verwachte richting. Houd de richting van links naar rechts aan: oorzaak links, uitkomst rechts.
  5. Label de pijlen met de hypothese. Gebruik H1, H2 en zo verder, zodat je tekst en figuur dezelfde taal spreken. Geef de figuur een nummer en een onderschrift.
  6. Controleer de koppeling met je meting. Elk vakje moet later een meetinstrument of een interviewthema krijgen. Voor die stap helpt de uitleg over operationaliseren, van begrip naar meetbare variabele.
Student tekent een conceptueel model met pijlen tussen variabelen op een whiteboard
Begin met vakjes en pijlen op papier of een whiteboard en werk het model pas daarna uit in een tekenprogramma.

Hoe ziet een conceptueel model eruit per opleiding?

De vorm van het model hangt af van je vakgebied en je onderzoeksopzet. Vier illustratieve voorbeelden, beschreven in tekst zodat je ze kunt nabouwen:

  • HRM of bedrijfskunde (kwantitatief): ervaren autonomie → werktevredenheid → intentie om te vertrekken. Hier is werktevredenheid de mediator tussen autonomie en vertrekintentie. Drie vakjes, twee pijlen, twee hypothesen.
  • Marketing (kwantitatief): inhoud op sociale media → merkbetrokkenheid → koopintentie, met leeftijd als moderator op de eerste pijl. Dit past bij een vragenlijstonderzoek waarin je de variabelen met gevalideerde schalen meet.
  • Verpleegkunde (kwantitatief of mixed): opleidingsniveau van verpleegkundigen → kennis van een richtlijn → naleving van de richtlijn op de afdeling, met werkdruk als moderator. Zoek voor elk begrip een gevalideerd meetinstrument voordat je het model definitief maakt.
  • Onderwijskunde of sociaal werk (kwalitatief): een conceptueel model is hier vaak een kaart van sensitizing concepts in plaats van een stelsel van hypothesen: de thema’s die je verwacht tegen te komen en hoe je denkt dat ze samenhangen, bijvoorbeeld ervaren steun, autonomie en betrokkenheid bij leerlingen. Pijlen zijn voorlopig en mogen na de analyse worden bijgesteld.

Merk op dat het kwalitatieve model niet bedoeld is om te toetsen maar om te sturen. Leg dat uit in je methodehoofdstuk, zodat je tweede lezer het model niet als hypothesetoets beoordeelt.

Wat is het verschil tussen mediatie en moderatie in je model?

Dit is de plek waar de meeste studenten de fout in gaan, en tweede lezers letten er scherp op. Mediatie beantwoordt de vraag hoe een verband tot stand komt: de onafhankelijke variabele beïnvloedt de mediator, en de mediator beïnvloedt de afhankelijke variabele. Moderatie beantwoordt de vraag wanneer of voor wie het verband geldt: de moderator verandert de sterkte of richting van het verband tussen twee andere variabelen. In een tekening staat een mediator tussen de twee variabelen op de pijl, terwijl een moderator als vakje boven de pijl hangt met een pijl naar de pijl zelf.

Een controle voor jezelf: kun je de zin “X werkt via M op Y” zinvol uitspreken? Dan is M een mediator. Past de zin “het effect van X op Y is sterker bij hoge M” beter? Dan is M een moderator. Mediatie en moderatie vragen verschillende analyses; kies dus in het conceptueel model al wat je later kunt toetsen met je steekproefomvang en meetniveau.

Schema met een mediator tussen twee variabelen en een moderator boven de pijl
Een mediator staat op de pijl tussen oorzaak en uitkomst; een moderator hangt boven de pijl en bepaalt de sterkte.

Hoe verbind je het model met je onderzoeksvraag en deelvragen?

Je conceptueel model en je probleemstelling moeten elkaar spiegelen. Elke pijl in het model hoort terug te komen als deelvraag of hypothese, en elke deelvraag moet in het model te vinden zijn. Controleer dat met een eenvoudige tabel met twee kolommen: links de pijlen (H1 tot en met Hn), rechts de deelvraag of het hoofdstuk waarin je die beantwoordt. Ontbreekt er rechts iets, dan heb je een pijl getekend die je niet onderzoekt; staat er links niets, dan onderzoek je iets wat niet in je model zit. Hoe je de hoofdvraag en deelvragen zelf opbouwt, staat in het stappenplan voor probleemstelling en deelvragen.

Voor een marketing- of consumentenonderzoek kun je het patroon bekijken in het artikel over onderzoeksvraag, hypothesen en variabelen voor een marketingscriptie, waar variabelen en hypothesen stap voor stap aan elkaar worden gekoppeld.

Welke tekst hoort er bij het model?

Een figuur zonder toelichting laat je tweede lezer raden. Schrijf onder of boven het model een korte alinea die drie dingen doet: je benoemt de begrippen in de volgorde van de figuur, je legt per pijl uit welke literatuur de verwachte richting ondersteunt en je vermeldt welke variabelen je als controle meeneemt. Een illustratieve formulering (verzonnen, vervang de inhoud door die van jouw onderzoek): “Figuur 2.1 toont het conceptueel model van dit onderzoek. Ervaren autonomie wordt verondersteld negatief samen te hangen met vertrekintentie (H1), waarbij werktevredenheid dit verband deels verklaart (H2 tot en met H4). Leeftijd en dienstjaren worden als controlevariabelen meegenomen.”

Let ook op de praktische kant. Maak de figuur in een programma waarin je pijlen en tekst kunt uitlijnen, exporteer hem als afbeelding met voldoende resolutie en controleer of de tekst op papier en op een scherm leesbaar blijft. Geef de figuur een nummer en een onderschrift in de stijl van je opleiding, en vermeld bij een overgenomen of aangepast model de bron in het onderschrift: “Aangepast naar…”. Zo voorkom je dat een beoordelaar je model aanziet voor overgenomen werk.

Bij een hbo-afstudeeronderzoek voor een opdrachtgever kun je daarnaast een vereenvoudigde versie van het model in je adviesrapport opnemen. Dat helpt de opdrachtgever te zien wat je hebt onderzocht zonder dat die de hele methodologische verantwoording hoeft te lezen. Gebruik in de vereenvoudigde versie dezelfde namen voor de begrippen als in het volledige model, en laat de statistische details weg.

Welke vormfouten maken studenten het vaakst?

  1. Pijlen tekenen zonder literatuur die de relatie ondersteunt.
  2. Te veel variabelen in een model voor een steekproef die dat niet kan dragen.
  3. Mediatie en moderatie verwarren, waardoor de analyse niet bij de tekening past.
  4. Begrippen in het model met andere namen noemen dan in de tekst, zodat de lezer denkt dat het twee verschillende dingen zijn.
  5. Het model pas aan het einde van het schrijven maken in plaats van als basis voor je methode.
  6. Een model uit een artikel kopiëren zonder bronvermelding en zonder het aan te passen aan je eigen vraag. Vermeld bij een overgenomen of aangepast model altijd de bron.
  7. Een figuur zonder onderschrift of nummer, waardoor je er in de tekst niet naar kunt verwijzen.

Hoe ziet een uitgewerkt voorbeeld eruit?

Een illustratief voorbeeld (fictief) voor een bachelorscriptie hrm. De hoofdvraag luidt: “In hoeverre hangt ervaren autonomie samen met de intentie om te vertrekken bij medewerkers van een regionaal ziekenhuis, en speelt werktevredenheid daarbij een verklarende rol?”

  • Begrippen: ervaren autonomie, werktevredenheid, vertrekintentie.
  • Rollen: autonomie is de onafhankelijke variabele, werktevredenheid de mediator, vertrekintentie de afhankelijke variabele.
  • Pijlen en hypothesen: H1 (autonomie hangt negatief samen met vertrekintentie), H2 (autonomie hangt positief samen met werktevredenheid), H3 (werktevredenheid hangt negatief samen met vertrekintentie), H4 (het directe verband tussen autonomie en vertrekintentie wordt kleiner zodra werktevredenheid in het model zit).
  • Controlevariabelen: leeftijd en dienstjaren.
  • Meting: gevalideerde schalen per begrip, met betrouwbaarheid in de eigen steekproef gerapporteerd.

Dit model heeft drie vakjes en vier pijlen. Het is te onderbouwen met literatuur en past bij een steekproef van enkele tientallen tot honderden respondenten, afhankelijk van je analyse. Over werktevredenheid als construct vind je meer in de gids voor een scriptie over werktevredenheid.

Wil je je model, hypothesen en hoofdstukindeling op elkaar laten aansluiten? Tesify wordt door meer dan 9.000 studenten gebruikt, die er al meer dan 15.000 hoofdstukken mee hebben gestructureerd. Je scriptie blijft voor 100% door jou geschreven; jij bepaalt de variabelen en de pijlen.

Veelgestelde vragen

Is een conceptueel model verplicht in een scriptie?

Dat verschilt per opleiding. Bij kwantitatief onderzoek wordt het vaak verwacht, bij kwalitatief onderzoek en literatuurstudies is het soms optioneel. Lees je scriptiehandleiding of vraag het je begeleider.

Wat is het verschil tussen een conceptueel model en een theoretisch kader?

Het theoretisch kader is de tekst waarin je theorieën en eerder onderzoek bespreekt. Het conceptueel model is de visuele samenvatting daarvan voor jouw onderzoek, met de variabelen en de verwachte verbanden.

Hoeveel variabelen mag een conceptueel model hebben?

Er is geen vast aantal, maar elke extra pijl is een extra hypothese. Voor een bachelorscriptie zijn twee tot vijf variabelen gebruikelijk, afhankelijk van je opleiding en steekproef.

Waar plaats ik het conceptueel model in mijn scriptie?

Meestal aan het einde van het theoretisch kader, voorafgaand aan de methode. Verwijs er in het methode- en resultatenhoofdstuk naar terug.

Moet ik een conceptueel model maken bij kwalitatief onderzoek?

Niet altijd, maar een conceptueel kader met sensitizing concepts helpt je interviews en codering te sturen. Leg uit dat het model voorlopig is en na de analyse kan veranderen.

Hoe teken ik een conceptueel model?

Met een gewoon tekenprogramma of een tekstverwerker met vormen en pijlen. Belangrijker dan het programma is dat vakjes en pijlen consistent zijn en dat elke pijl een label heeft.

Wat is het verschil tussen een mediator en een moderator?

Een mediator verklaart hoe een verband tot stand komt, een moderator bepaalt wanneer of voor wie het verband sterker of zwakker is. Ze vragen verschillende analyses.

Mag ik een bestaand model uit een artikel gebruiken?

Ja, mits je de bron vermeldt en toelicht waarom het model bij jouw onderzoeksvraag past. Pas het aan waar nodig en leg de aanpassing uit.

Hoe verwerk ik hypothesen in het model?

Label elke pijl met een hypothesenummer (H1, H2, enzovoort) en formuleer de hypothesen in de tekst direct onder of boven de figuur.

Wat doe ik als mijn resultaten afwijken van mijn model?

Dat is normaal. Rapporteer wat je vond, bespreek in je discussie waarom het model niet of deels klopt en geef eventueel een aangepast model als suggestie voor vervolgonderzoek.