Van de 58.270 studenten die in 2018 aan een wo-bachelor begonnen, had na vier jaar 63 procent een eerste wo-diploma. Van de 97.490 studenten die in datzelfde jaar aan het hbo begonnen, was dat 30 procent. Dat verschil van meer dan dertig procentpunten is de belangrijkste bevinding in de cohorttabellen van het CBS — en het betekent iets anders dan het op het eerste gezicht lijkt.
De bron en de peildatum
De cijfers hieronder komen uit twee CBS-tabellen: 83285NED, Wo-cohorten; eerste wo-diploma, studierichting en 83286NED, Hbo-cohorten; eerste hbo-diploma, studierichting. Beide zijn voor het laatst bijgewerkt op 18 juni 2026 en het CBS merkt alle cijfers erin aan als definitief. Dat laatste is voor een scriptie belangrijker dan het klinkt: voorlopige cijfers kunnen na publicatie nog veranderen, definitieve niet, en je beoordelaar mag verwachten dat je dat onderscheid kent.
De tabellen volgen cohorten van 2008/’09 tot en met 2022/’23, in stappen van twee jaar, en meten op peilmomenten van één tot maximaal negen jaar na de start. Noem die peildatum altijd mee als je citeert; zonder peilmoment is een rendementscijfer betekenisloos, omdat hetzelfde cohort op verschillende momenten totaal verschillende percentages oplevert.
Het wo-bachelorcohort in cijfers
| Cohort | Starters | Na 4 jaar met diploma | Na 5 jaar | Na 9 jaar |
|---|---|---|---|---|
| 2014/’15 | 46.020 | 28.840 (63%) | 34.170 (74%) | 38.290 (83%) |
| 2018/’19 | 58.270 | 36.760 (63%) | 43.250 (74%) | nog niet gepubliceerd |
Bron: CBS, tabel 83285NED, bijgewerkt 18 juni 2026. Percentages afgeleid uit de gepubliceerde aantallen.
Twee dingen vallen op. Het patroon is over vier jaar tijd vrijwel identiek: 63 procent na vier jaar en 74 procent na vijf jaar, in beide cohorten. Het cohort werd wel fors groter, van 46.020 naar 58.270 starters, een groei van ruim een kwart. En de curve loopt door: tussen jaar vijf en jaar negen komt er bij het cohort 2014 nog eens negen procentpunt bij, tot 83 procent. Het aantal studenten dat na negen jaar nog steeds geen wo-diploma heeft, daalt daarmee tot 7.740 van de oorspronkelijke 46.020.
Het hbo-cohort in cijfers
| Cohort | Starters | Na 4 jaar met diploma | Na 5 jaar | Na 9 jaar |
|---|---|---|---|---|
| 2014/’15 | 97.730 | 29.270 (30%) | 47.020 (48%) | 65.380 (67%) |
| 2018/’19 | 97.490 | 29.310 (30%) | 46.940 (48%) | nog niet gepubliceerd |
Bron: CBS, tabel 83286NED, bijgewerkt 18 juni 2026. Percentages afgeleid uit de gepubliceerde aantallen.
Ook hier is de stabiliteit opvallend: 30 procent na vier jaar en 48 procent na vijf jaar, in twee cohorten die vier jaar uit elkaar liggen en vrijwel even groot zijn — 97.730 tegen 97.490 starters. Na negen jaar staat het cohort 2014 op 65.380 gediplomeerden, oftewel 67 procent, tegen 32.350 zonder hbo-diploma. De grootste sprong zit tussen jaar vier en jaar vijf, waar het aantal gediplomeerden ruwweg verdubbelt. Dat is precies het jaar waarin het merendeel van de hbo-scripties wordt afgerond.

Waarom het hbo-cijfer geen uitvalcijfer is
Dit is de belangrijkste methodologische waarschuwing van dit artikel, en de reden dat je het verschil van dertig procentpunten niet mag lezen als “hbo’ers vallen vaker uit”.
Het CBS omschrijft beide tabellen als cijfers over “het eerst behaalde diploma in het [wo/hbo]”. De teller telt dus alleen diploma’s die zijn behaald binnen diezelfde onderwijssoort. Een student die in het hbo start, na een jaar overstapt naar het wo en daar afstudeert, telt in de hbo-tabel mee als niet-gediplomeerd — terwijl die student wel degelijk een diploma heeft. Hetzelfde geldt omgekeerd voor wo-starters die naar het hbo overstappen.
Daar komt de nominale studieduur bovenop. Een wo-bachelor telt volgens de wet 180 studiepunten, een hbo-bachelor 240. Na vier jaar is een wo-bachelorstudent dus al een jaar over de nominale duur heen, terwijl een hbo-student precies op tijd is. Het peilmoment van vier jaar is voor de twee groepen simpelweg geen vergelijkbaar moment, en wie de twee percentages naast elkaar zet zonder dat te noemen, vergelijkt twee verschillende dingen.
Wat je dus wél mag schrijven: “Van het hbo-cohort 2018/’19 had na vier jaar 30 procent een eerste hbo-diploma behaald (CBS, 83286NED, peildatum 18 juni 2026).” Wat je niet mag schrijven: “70 procent van de hbo-studenten valt uit.” Dat tweede is geen strengere formulering van het eerste, het is een andere bewering, en je beoordelaar kan hem controleren.
De drie beperkingen die je erbij moet noemen
- Het is een diplomarendement binnen één onderwijssoort, geen uitvalcijfer. Overstappers tellen als niet-gediplomeerd, ook als ze elders afstuderen.
- Alle aantallen zijn afgerond op tientallen. Het CBS heeft dat sinds 18 juni 2026 doorgevoerd om de tabellen gelijk te trekken met de overige onderwijstabellen. Publiceer daarom nooit een verschil dat je zelf uit twee cellen hebt berekend — de afrondingsfout kan tot twintig personen oplopen, en bij kleine uitsplitsingen wordt dat een aanzienlijk deel van de waarde.
- De reeks is nog niet compleet. Van de cohorten 2018/’19 en later ontbreken de latere peilmomenten simpelweg nog. Het CBS meldt dat de cijfers voor cohort 2016/’17 na acht jaar, 2018/’19 na zes jaar, 2020/’21 na vier jaar en 2022/’23 na twee jaar in het derde kwartaal van 2026 verschijnen. Controleer dus of er inmiddels nieuwere cijfers zijn voordat je inlevert.
Wat deze tabellen níét kunnen beantwoorden
Even belangrijk als wat er wél in staat, want een verkeerd gekozen bron kost je een hoofdstuk. Deze twee tabellen bevatten geen cijfers over:
- De reden waarom iemand geen diploma haalde. Er is geen dimensie voor uitvalmotieven, financiële situatie of studievertraging door de scriptie. Wie daarover wil schrijven, heeft eigen dataverzameling of ander onderzoek nodig.
- De prestatie van individuele instellingen. De uitsplitsing gaat naar studierichting, niet naar hogeschool of universiteit. Een uitspraak over “het rendement van instelling X” kun je hier niet op baseren.
- Het moment van uitval binnen het jaar. De peilmomenten zijn hele jaren na de start; alles wat daartussen gebeurt is onzichtbaar.
- Diploma’s in het buitenland of in het mbo. Alleen Nederlandse hbo- respectievelijk wo-diploma’s tellen mee.
Wat er wél in zit aan uitsplitsingen: geslacht en studierichting van het diploma in beide tabellen, plus studiefase bij de start in de wo-tabel en vooropleiding in de hbo-tabel. Die laatste is voor onderwijskundig onderzoek de interessantste, omdat je daarmee havisten, mbo’ers en vwo’ers apart kunt volgen.

Wat de cijfers wél laten zien
Drie bevindingen die je zonder voorbehoud kunt gebruiken.
Vertraging is de norm, niet de uitzondering. In het wo haalt 63 procent het binnen vier jaar en 83 procent binnen negen. Die twintig procentpunt daartussen zijn studenten die het diploma wel halen, maar later. Het beeld van “op tijd of niet” past niet op de werkelijkheid, en dat is relevant voor iedereen die op dit moment het gevoel heeft achter te lopen.
De patronen zijn opmerkelijk stabiel. De cohorten 2014 en 2018 leveren op vier en vijf jaar vrijwel identieke percentages op, in beide onderwijssoorten. Voor een scriptie is dat waardevol: je kunt het cohort 2014 gebruiken voor de volledige negenjaarscurve zonder dat je een verouderd patroon beschrijft, en dat argument kun je met de cijfers uit dit artikel onderbouwen in plaats van veronderstellen.
De schaal verschilt sterk. Het hbo-cohort telt bijna 100.000 starters tegen ruim 58.000 in het wo. Dat verschil in omvang is de context waarin je elk percentage moet plaatsen, en het sluit aan op de studentenaantallen in het artikel over hoeveel studenten het Nederlandse hoger onderwijs telt.
Hoe gebruik je deze cijfers in je scriptie?
- Noem tabelnummer, cohort, peilmoment en peildatum. “CBS, 83285NED, cohort 2018/’19, vier jaar na start, bijgewerkt 18 juni 2026.” Elk van die vier onderdelen is nodig om je bewering controleerbaar te maken.
- Gebruik het aantal, niet alleen het percentage. 36.760 van 58.270 is reproduceerbaar; “63 procent” alleen niet.
- Beschrijf de meeteenheid. Eén zin volstaat: “het betreft het eerst behaalde diploma binnen dezelfde onderwijssoort, zodat overstappers als niet-gediplomeerd meetellen.”
- Vergelijk hbo en wo niet zonder toelichting. Verschillende nominale duur, verschillende instroom, verschillende meeteenheid.
Hoe je deze en andere CBS-tabellen zelf opzoekt en verantwoord opneemt, staat in de gids over CBS StatLine als bron voor je scriptie. Het bredere onderscheid tussen de twee onderwijssoorten — en waarom dat voor je onderzoeksopzet uitmaakt — staat in het artikel over het verschil tussen een hbo-scriptie en een wo-thesis. En als je zelf onderzoek doet naar studievoortgang, bepaalt de keuze tussen een enquête en een interview wat je met deze landelijke cijfers kunt vergelijken.
Houd elk cijfer aan zijn bron gekoppeld
Tesify schrijft je hoofdstukken mét de bronvermelding erbij, zodat een cijfer in je inleiding maanden later nog steeds herleidbaar is als je begeleider ernaar vraagt. Meer dan 9.000 studenten gebruikten Tesify voor ruim 15.000 hoofdstukken, en je schrijft elke zin nog steeds zelf.
Veelgestelde vragen
Hoeveel studenten halen hun diploma in het wo?
Van het wo-bachelorcohort 2018/’19 had na vier jaar 63 procent een eerste wo-diploma en na vijf jaar 74 procent. Van het cohort 2014/’15 was dat na negen jaar 83 procent.
En in het hbo?
Van het hbo-cohort 2018/’19 had na vier jaar 30 procent een eerste hbo-diploma en na vijf jaar 48 procent. Van het cohort 2014/’15 was dat na negen jaar 67 procent.
Is dat verschil een uitvalcijfer?
Nee. Het CBS meet het eerst behaalde diploma binnen dezelfde onderwijssoort, dus een hbo-starter die overstapt naar het wo en daar afstudeert telt in de hbo-tabel als niet-gediplomeerd.
Waarom is vier jaar geen eerlijk vergelijkingsmoment?
Omdat een hbo-bachelor volgens de wet 240 studiepunten telt en een wo-bachelor 180. Na vier jaar is een hbo-student nominaal op schema en een wo-student al een jaar uitgelopen.
Hoe actueel zijn deze cijfers?
De tabellen zijn bijgewerkt op 18 juni 2026 en alle opgenomen cijfers zijn definitief. Nieuwe peilmomenten voor de recentere cohorten verschijnen in het derde kwartaal van 2026.
Waarom mag ik geen verschil tussen twee cellen berekenen?
Omdat alle aantallen sinds 18 juni 2026 zijn afgerond op tientallen. Een zelf berekend verschil kan daardoor tientallen personen naast de werkelijkheid zitten.
Welke cohorten zitten er in de tabellen?
2008/’09 tot en met 2022/’23, in stappen van twee jaar, met peilmomenten van één tot en met negen jaar na de start.
Kan ik deze cijfers uitsplitsen naar studierichting?
Ja. Beide tabellen kennen een dimensie voor de studierichting van het diploma, en daarnaast voor geslacht. In het hbo is er bovendien een uitsplitsing naar vooropleiding, in het wo naar studiefase bij de start.
Staat er ook in waarom studenten stoppen?
Nee. Deze tabellen bevatten geen uitvalmotieven en ook geen uitsplitsing naar instelling. Voor onderzoek naar redenen heb je eigen dataverzameling of ander onderzoek nodig.
Hoe verwijs ik correct naar een CBS-tabel?
Met tabelnummer, tabeltitel, het geraadpleegde cohort en peilmoment, en de datum van bijwerking of raadpleging. Vraag je begeleider of je opleiding een eigen voorschrift heeft voor statistische bronnen.
Zeggen deze cijfers iets over mijn eigen kans om af te studeren?
Nauwelijks. Het zijn landelijke aggregaten over honderdduizenden studenten, en ze verklaren niets over individuele trajecten. Gebruik ze als context in je inleiding, niet als voorspelling.
