In het studiejaar 2025/’26 telde het hoger beroepsonderwijs 440.220 studenten en het wetenschappelijk onderwijs 335.930 (CBS, tabel 85701NED, bijgewerkt op 14 april 2026). Samen zijn dat ruim 776 duizend mensen in het hoger onderwijs — en beide reeksen dalen inmiddels.
Dat laatste is de bevinding die de meeste scripties missen. Het beeld dat er “steeds meer studenten” bijkomen is verouderd: het hbo daalt al vijf studiejaren op rij en het wo sinds twee jaar. Hieronder staan alle cijfers met bron en jaartal, plus de twee kanttekeningen die je in je methodologie moet noemen als je ze citeert.
De cijfers per studiejaar
| Studiejaar | Hbo | Wo |
|---|---|---|
| 2015/’16 | 442.590 | 261.170 |
| 2020/’21 | 489.260 | 331.420 |
| 2023/’24 | 460.430 | 343.880 |
| 2024/’25 | 449.930 | 341.720 |
| 2025/’26 | 440.220 | 335.930 |
Bron: CBS, tabel 85701NED “Leerlingen en studenten; onderwijssoort, woonregio”, peiljaar 2025/’26, heel Nederland.
Wat de reeks laat zien
Het hbo piekte in 2020/’21 op 489.260 studenten en is sindsdien elk jaar gedaald, tot 440.220 in 2025/’26. Dat is een afname van bijna 49 duizend studenten in vijf jaar, ongeveer tien procent. Het huidige aantal ligt daarmee zelfs iets onder het niveau van 2015/’16.
Het wo piekte later en minder scherp. Van 261.170 in 2015/’16 groeide het door tot 343.880 in 2023/’24 — een stijging van ruim 31 procent — en daalde daarna twee jaar naar 335.930. Over de hele periode is het wo dus fors gegroeid, ook al is de recente beweging neerwaarts.
Deze twee bewegingen tegelijk beschrijven is belangrijker dan één van beide uitvergroten. Wie alleen naar het wo kijkt ziet groei; wie alleen naar het hbo kijkt ziet krimp. Het hoger onderwijs als geheel doet geen van beide eenduidig, en een scriptie die daar recht aan doet, valt op.
Let ook op het verschuivende evenwicht tussen de twee sectoren. In 2015/’16 stonden er ruim 181 duizend meer studenten in het hbo dan in het wo; in 2025/’26 is dat verschil geslonken tot ongeveer 104 duizend. De verhouding tussen beroepsgericht en wetenschappelijk hoger onderwijs is dus in tien jaar merkbaar veranderd, en dat is op zichzelf een scriptiewaardige observatie — mits je haar presenteert als eigen berekening op basis van de gepubliceerde totalen.

Verdeling naar geslacht
In beide sectoren vormen vrouwen de meerderheid, in het wo iets duidelijker dan in het hbo.
| Studiejaar | Vrouwen hbo | Vrouwen wo |
|---|---|---|
| 2015/’16 | 227.000 | 133.550 |
| 2020/’21 | 255.110 | 175.430 |
| 2023/’24 | 244.350 | 185.240 |
| 2025/’26 | 234.290 | 180.830 |
Afgezet tegen de totalen komt dat neer op ongeveer 53 procent vrouwen in het hbo en bijna 54 procent in het wo in 2025/’26. Opvallend is dat het aantal vrouwen in het wo tussen 2015/’16 en 2023/’24 met ruim 51 duizend toenam en daarna nauwelijks terugliep, terwijl het aantal vrouwen in het hbo sinds de piek van 2020/’21 met ruim 20 duizend daalde. De vrouwelijke instroom verschoof dus mee met de sectorverschuiving.
Twee kanttekeningen die in je methodologie horen
Ten eerste: tel de deelcijfers niet op. Het CBS rondt elke cel af op tientallen, en het totaal wordt afzonderlijk afgerond. Daardoor is de som van mannen en vrouwen niet exact gelijk aan het gepubliceerde totaal — bij het hbo scheelt dat 110 studenten, bij het wo 320. Dat is geen fout in de data en ook geen fout van jou; het is een eigenschap van afgeronde publicatiecijfers.
De praktische regel: gebruik de gepubliceerde totalen als totaal en de deelcijfers als deelcijfer, en construeer geen derde getal door aftrekken. Wil je toch een percentage berekenen, deel dan het gepubliceerde deelcijfer door het gepubliceerde totaal en meld dat het om afgeronde waarden gaat.
Ten tweede: dit zijn ingeschrevenen, geen personen in het algemeen. De tabel telt inschrijvingen in het onderwijs op een peilmoment. Het is dus geen momentopname van “iedereen die studeert” in de brede zin en het zegt niets over studieduur, uitval of diplomarendement. Voor die vragen bestaan andere tabellen: het CBS publiceert aparte cohortentabellen over het eerst behaalde diploma in het hbo en het wo, met peilmomenten tot maximaal negen jaar na de start.
Waar deze cijfers vandaan komen
De reeks komt uit StatLine, de openbare databank van het CBS. Tabel 85701NED loopt van 2011/’12 tot en met 2025/’26 en is op 14 april 2026 bijgewerkt. De tabel is via de website te raadplegen en ook via de open data-interface op te halen, zodat je de exacte cellen kunt downloaden in plaats van ze over te typen.
Dat laatste is meer dan gemak. Overtypen is de belangrijkste bron van fouten in cijfermatige scriptiehoofdstukken, en een cijfer dat niet klopt met de bron is een van de weinige dingen die een tweede lezer binnen een minuut kan controleren. Download de tabel, bewaar het bestand met de datum in de bestandsnaam en werk vanuit dat bestand.
Voor cijfers over diplomarendement zijn de cohortentabellen 83285NED (wo) en 83286NED (hbo) de aangewezen bron. Beide zijn op 18 juni 2026 bijgewerkt, bevatten definitieve cijfers en zijn — net als de studentenaantallen — afgerond op tientallen. Ze volgen de cohorten 2008/’09 tot en met 2022/’23.
Wat deze cijfers níét zeggen
Drie vragen die studenten vaak op deze tabel loslaten, maar die hij niet beantwoordt.
“Hoeveel scripties worden er per jaar geschreven?” Dat cijfer wordt niet gepubliceerd. Het aantal gediplomeerden is de dichtstbijzijnde benadering, maar het is niet hetzelfde: niet elke opleiding sluit af met een scriptie, en een student die twee diploma’s haalt telt twee keer mee.
“Hoeveel studenten lopen studievertraging op?” Daarvoor heb je de cohortentabellen nodig, niet de inschrijvingscijfers. Een daling in het aantal ingeschrevenen kan net zo goed door kleinere instroomcohorten komen als door sneller afstuderen.
“Hoeveel studenten gebruiken AI bij hun scriptie?” Het CBS meet dit niet. Wees hier extra kritisch: er circuleren veel percentages over AI-gebruik onder studenten die teruggaan op niet-representatieve peilingen. Neem geen getal over waarvan je de steekproef, het veldwerkmoment en de vraagstelling niet hebt gezien.
Hoe je een dalende reeks interpreteert zonder je vingers te branden
Een dalende lijn nodigt uit tot een verklaring, en juist daar gaat het vaak mis. Een daling in inschrijvingen kan minstens vier heel verschillende oorzaken hebben, en de tabel zelf kan er geen enkele van bevestigen.
Het kan gaan om demografie: kleinere geboortecohorten leveren jaren later kleinere instroomcohorten op, zonder dat er iets aan de aantrekkelijkheid van het onderwijs veranderde. Het kan gaan om doorstroom: als studenten sneller afstuderen, staan er op een peilmoment minder mensen ingeschreven terwijl er evenveel of zelfs meer diploma’s worden gehaald. Het kan gaan om instroom van buiten Nederland, die zich anders ontwikkelt dan de binnenlandse instroom. En het kan gaan om verschuiving tussen sectoren, waarbij dezelfde studenten voor een ander type opleiding kiezen.
Wil je in je scriptie iets over de oorzaak zeggen, dan heb je aanvullende bronnen nodig die precies dat meten. Doe je dat niet, beschrijf de beweging dan als beweging en laat de verklaring expliciet open. Dat is geen zwaktebod: een correct beschreven trend met een eerlijk geformuleerde onzekerheid is sterker dan een verklaring die je niet kunt onderbouwen.
Hoe je deze cijfers correct citeert
Vermeld bij elk getal vier dingen: de instelling (CBS), de tabelnaam of het tabelnummer, het peiljaar en de datum waarop je de tabel hebt geraadpleegd. Die laatste is geen formaliteit — StatLine-tabellen worden bijgewerkt en voorlopige cijfers worden later definitief. Zonder raadpleegdatum kan niemand jouw getal reproduceren.
Reken je zelf iets uit, zoals een percentage of een groeicijfer, presenteer dat dan als eigen berekening op basis van CBS-cijfers en niet als een cijfer van het CBS zelf. Dat onderscheid onder een tabel zetten kost één regel en is precies het soort zorgvuldigheid waar een tweede lezer op let.
Heb je de cijfers binnen en loop je vast op het schrijven eromheen? Bouw je scriptie op in Tesify — hoofdstuk voor hoofdstuk, met je bronnenlijst die meegroeit. De inhoud blijf je zelf schrijven, voor honderd procent.
Veelgestelde vragen
Hoeveel studenten telt Nederland in 2026?
In het studiejaar 2025/’26 stonden er 440.220 studenten ingeschreven in het hbo en 335.930 in het wo. Dat is samen ruim 776 duizend inschrijvingen in het hoger onderwijs.
Groeit of krimpt het hoger onderwijs?
Het hbo krimpt sinds de piek van 489.260 in 2020/’21. Het wo groeide tot 343.880 in 2023/’24 en daalt sindsdien licht. Over tien jaar gemeten is het wo fors gegroeid en het hbo per saldo licht gekrompen.
Studeren er meer vrouwen dan mannen?
Ja, in beide sectoren. In 2025/’26 waren er 234.290 vrouwen in het hbo en 180.830 in het wo, oftewel ruwweg 53 procent en 54 procent van het totaal.
Mag ik deze cijfers in mijn scriptie gebruiken?
Ja. CBS-cijfers zijn openbaar en bedoeld om geciteerd te worden, mits je de bron vermeldt. Neem tabelnummer, peiljaar en raadpleegdatum op.
Waarom kloppen mijn optellingen niet?
Omdat het CBS elke cel afzonderlijk afrondt op tientallen. De som van deelcijfers wijkt daardoor licht af van het gepubliceerde totaal. Presenteer geen zelf berekend verschil als exact cijfer.
Waar vind ik cijfers per instelling?
Niet in deze tabel. Voor gegevens per instelling en per opleiding is DUO, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Onderwijs, de aangewezen bron; die publiceert open onderwijsdata voor het hoger onderwijs.
Zijn er ook cijfers over hoeveel studenten hun diploma halen?
Ja, in de cohortentabellen van het CBS over het eerst behaalde hbo- en wo-diploma. Die volgen studiecohorten tot negen jaar na de start en bevatten definitieve cijfers. Het zijn andere tabellen dan de inschrijvingscijfers hierboven — verwar de twee niet.
Hoe actueel zijn deze cijfers?
De tabel met studentenaantallen is op 14 april 2026 bijgewerkt en loopt tot en met studiejaar 2025/’26. Controleer voor gebruik altijd of er inmiddels een nieuwere update is; StatLine vermeldt de wijzigingsdatum bij elke tabel.
Kan ik deze cijfers vergelijken met die van andere landen?
Alleen met grote voorzichtigheid. De Nederlandse tweedeling tussen hbo en wo bestaat lang niet overal, en internationale statistieken hanteren eigen indelingen. Een vergelijking waarin het Nederlandse hbo zonder toelichting naast buitenlandse universiteiten wordt gezet, vergelijkt twee verschillende dingen. Gebruik voor internationale vergelijkingen een bron die zelf al een geharmoniseerde indeling toepast, en licht die keuze toe in je methodologie.
Welk peilmoment hanteert het CBS voor deze aantallen?
De cijfers betreffen inschrijvingen per studiejaar zoals het CBS die in deze tabel vastlegt. Voor scriptiegebruik is vooral van belang dat je consequent één peilmoment aanhoudt: vergelijk geen studiejaarcijfer met een kalenderjaarcijfer uit een andere bron, want dan schuif je onbedoeld enkele maanden op en verklaar je een verschil dat alleen in de definitie zit.
